Michaël Slory (1935-2018)

Er kwam geen einde aan de woordenvloed
In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden.
Michaël Slory (1935-2018) kreeg erkenning voor zijn poëzie, maar raakte toch
gedesillusioneerd.

Toef Jaeger/4 januari 2019

‘Als een bedelaar loop ik op straat mijn dichtbundels te verkopen”, zei Michaël Slory
over zichzelf. Het is een treurig, maar treffend zelfportret van de op 19 december op
83-jarige leeftijd overleden Surinaamse dichter. Hij was een van de belangrijkste
dichters uit het land, zeker wanneer het gaat om gedichten in het Sranantongo, de
taal waarin hij tot aan de onafhankelijkheid bleef dichten.

Slory wordt op 4 augustus 1935 geboren in het Surinaamse district Coronie. Als enige
verlaat hij het ouderlijk huis, waar bijen worden gehouden, varkens gefokt en rijst
en bananen verbouwd. In Paramaribo leert hij van de Fraters van Tilburg. Op de
Algemene Middelbare School wordt hij aangemoedigd om niet alleen in het Nederlands te
dichten, maar ook in het Sranan en in het Spaans. Filmregisseur Pim de la Parra, die
samen met Slory op school zat, herinnert zich de gedeelde „fascinatie voor de
Cubaanse revolutie en voor de Spaanse taal.” Op Surinaamse feestjes danste Slory solo
op de nummers van de Cubaanse band La Sonora Matancera. „Dan was hij in zijn element,
maar zodra anderen dat zagen kroop hij weer in zijn schulp.”

Dat Slory ook in het Spaans dichtte, was omdat hij Suriname als onderdeel van
Latijns-Amerika zag, vertelt Michiel van Kempen, hoogleraar Nederlands-Caraïbische
Letteren. Zijn besluit om „in het Spaans te gaan schrijven, in plaats van het Sranan,
werd hem door president R.R. Venetiaan ooit verweten”, zegt journalist Corine Spoor.
„Hierop herinnerde Slory Venetiaan eraan dat deze als minister van Onderwijs [in het
kabinet-Arron 1977-1980] geen enkel initiatief had genomen om het Sranan een
prominente plaats te geven en als officiële volkstaal in te voeren in het onderwijs.
Terwijl hij, Slory, de man in de straat zijn gedichten in het Sranan voorlas.”

In Nederland studeert Slory Spaans aan de UvA en trekt hij op met de schrijversgroep
rond het tijdschrift De Gids – het blad waarin in de jaren zestig ook gedichten van
hem worden opgenomen. Het is in die jaren dat hij aansluiting vindt bij de
Surinaams-nationalistische beweging. De fascinatie voor de Cubaanse revolutie, de
plek van Suriname in de wereld en de onafhankelijkheidsstrijd: ze typeren het
engagement dat al in Slory’s vroege werk is te vinden. Niet voor niets draagt hij
zijn bundel Sarka/Bittere strijd (1961) op aan de Congolese onafhankelijkheidsleider
Patrice Lumumba. Hoe moeten wij kijken / in de spiegel / van de geschiedenis, die
zwart, zwart is?

In 1970 keert Slory terug naar Suriname en zet hij zich in voor de onafhankelijkheid.
„Na de coup in 1980 was hij dermate teleurgesteld dat hij stopte met het schrijven in
het Sranan”, zegt Van Kempen. De taal had hem niets gebracht, niet eens een vrouw –
slechts een Friese vriendin in Nederland, onthulde hij Van Kempen ooit: „Slory liet
geen ruimte tussen privé en politiek, en dat maakte van hem een teleurgesteld man.”

In het gedicht ‘Revolutie’ worden revolutie en de vrouw gekoppeld: Toen ik nog van je
droomde / als van een vrouw… / Maar nu / spotlacht zelfs / de ten dode opgeschrevene
/ waar ik jouw naam noem. […] En nu de droom over is, / als een vliegtocht voorbij: /
ik sta met beide benen op de grond / maar anders.

Officiële erkenning was er wel (hij kreeg bijvoorbeeld in 1986 de Literatuurprijs van
Suriname), bewondering ook, maar niet in de vorm die Slory voor ogen stond. Zijn huis
had bij gebrek aan stroom geen ijskast of tv, op scholen droeg hij poëzie voor, maar
zijn bundels gaf hij in Suriname in eigen beheer uit: papiertjes met een nietje
erdoor.

Het blijft onbegrijpelijk, vindt auteur Karin Lachmising: „Een man die zulk prachtig
werk creëert, zo intens en puur schrijft, die verwacht je op grote literaire podia.
En toch gebeurde dat niet. De gedichten van Slory, met warrige baard en linnen tas,
kwamen vanaf de straat bij je binnen. Hij bleef volhouden en doorgaan, niet altijd
voor aandachtig, waarderend of begrijpend publiek.”

Een man die zulk prachtig werk creëert, zo intens en puur schrijft, die verwacht je
op grote literaire podia. En toch gebeurde dat niet

In die begeestering om te dichten, dat constante produceren, zit zijn kracht,
benadrukt Ruth San A Jong, auteur en docent aan de Schrijversvakschool Paramaribo:
„Observaties die meteen uit zijn vingers spugen, heb ik tot zover alleen bij hem
gezien.”

Dichtend tegen de klippen op (in de woorden van Slory zelf: ‘Grote genade, komt er
dan nooit een einde aan die woordenvloed’), voordragend en strompelend, was Slory de
laatste jaren erg broos. De la Parra bekent dat hij het niet altijd even leuk vond om
Slory op straat tegen te komen: „Hij sjokte met kromme rug en gebogen hoofd en wilde
altijd een praatje maken. Als hij eenmaal je aandacht had, bleef hij maar praten, was
niet meer aanwezig en sprak met gesloten ogen maar door. De man die me in een vorige
fase van mijn leven had geleerd om altijd mezelf te zijn, was nu niet meer wakker
genoeg om zichzelf te zijn. Dat deed me steeds weer pijn. Het is misschien de
belangrijkste les die ik kan leren van Michael Slory. Ondanks het feit dat de
republiek Suriname zijn inwoners niet veel opbeurende perspectieven kan bieden, zal
ik me niet laten desillusioneren, zoals duidelijk het geval was met Slory.”